Title: Analyse Arie betreffende uitvoeringspraktijk en ILO 121
DocumentOnderTitel:
DocumentDatum: 04-06-2026
DocumentPDF:
DocumentDossier: ILO 121 Verdrag
DocumentBron:
DocumentAuteur: Arie
DocumentAfbeelding:
DocumentToelichting:

De arbowet is de nederlandse inplemetatie vd de eu richtlijn 89/391. Die gaat uit van de materiele werkgever. Arobowet art 1 en lid 2 . Zolang het uwv uitsluitend blijft beoordeleop alleen lid 1 . Dan blijft het een drama.

Standpunt inzake de verhouding tussen bedongen arbeid, arbeidsongeschiktheidsbeoordeling en artikel 26 ILO-Verdrag 121

De beoordeling van arbeidsongeschiktheid wordt in de praktijk veelal benaderd als een medisch vraagstuk dat begint bij de verzekeringsarts. Deze benadering miskent dat arbeidsongeschiktheid geen zuiver medisch begrip is, maar een juridisch en arbeidskundig begrip dat uitsluitend kan worden vastgesteld in relatie tot concrete arbeid.

Arbeidsongeschiktheid betekent immers niet dat iemand ziek is, maar dat iemand door ziekte of gebrek niet langer in staat is bepaalde arbeid te verrichten of daarmee een bepaald inkomen te verdienen. Daaruit volgt dat de arbeid waarop de beoordeling betrekking heeft logisch en juridisch voorafgaat aan de beoordeling van de medische beperkingen.

Voordat kan worden vastgesteld welke beperkingen relevant zijn, moet eerst worden vastgesteld ten opzichte van welke arbeid die beperkingen moeten worden beoordeeld. Zonder inzicht in de bedongen arbeid, de feitelijk verrichte werkzaamheden, de arbeidsomvang, de organisatorische context, de aanwezige functies en de reële mogelijkheden binnen de onderneming of het concern, ontbreekt het noodzakelijke referentiekader voor iedere verdere beoordeling.

De gangbare volgorde van eerst een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en daarna een arbeidsdeskundig onderzoek veronderstelt daarom dat reeds vaststaat welke arbeid de maatstaf vormt. Wanneer daarover onzekerheid bestaat, is deze volgorde ondeugdelijk.

In dergelijke gevallen dient eerst een arbeidsdeskundig onderzoek plaats te vinden naar de aard en omvang van de arbeid. Daarbij dient te worden onderzocht:

* welke arbeid contractueel is overeengekomen;
* welke arbeid feitelijk werd verricht;
* welke functies daadwerkelijk werden uitgeoefend;
* welke werkzaamheden binnen de onderneming of concernstructuur werden uitgevoerd;
* onder wiens gezag werd gewerkt;
* welke kennis, ervaring en verantwoordelijkheden onderdeel vormden van de functie;
* welke mogelijkheden voor werkhervatting of functiewijziging binnen de bestaande arbeidsrelatie aanwezig waren.

Pas nadat deze feiten zijn vastgesteld, kan de verzekeringsarts beoordelen welke gevolgen ziekte of gebrek hebben voor de mogelijkheid om juist die arbeid te verrichten.

Na afronding van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dient vervolgens opnieuw een arbeidsdeskundige beoordeling plaats te vinden. Dan kan worden onderzocht welke arbeid nog mogelijk is, welke verdiencapaciteit resteert en welke re-integratiemogelijkheden aanwezig zijn.

Deze volgorde is niet slechts een kwestie van procedurele zorgvuldigheid, maar raakt rechtstreeks aan de doelstelling van artikel 26 van ILO-Verdrag 121.

Artikel 26 verplicht staten niet uitsluitend tot het verstrekken van uitkeringen, maar ook tot het bevorderen van herstel van verdiencapaciteit en terugkeer naar arbeid. Het centrale uitgangspunt van dit artikel is dat arbeidsongeschiktheid niet mag leiden tot een definitieve verwijdering van de arbeidsmarkt indien herstel of werkhervatting mogelijk is.

Dat uitgangspunt kan slechts worden gerealiseerd wanneer eerst wordt vastgesteld naar welke arbeid terugkeer mogelijk is.

Indien de bedongen arbeid niet wordt onderzocht, kan niet worden vastgesteld:

* welke werkzaamheden behouden hadden kunnen blijven;
* welke werkzaamheden aangepast hadden kunnen worden;
* welke werkzaamheden binnen dezelfde werkgever mogelijk waren;
* welke werkzaamheden binnen een concern beschikbaar waren;
* welke re-integratiemogelijkheden feitelijk aanwezig waren;
* welke verdiencapaciteit behouden had kunnen blijven.

In dat geval wordt niet toegewerkt naar herstel van arbeidsparticipatie, maar wordt direct overgegaan naar een abstracte beoordeling van beperkingen en theoretische functies. Daarmee wordt het doel van artikel 26 feitelijk omgekeerd.

Het uitgangspunt behoort daarom te zijn dat re-integratie voorafgaat aan uitval uit arbeid en dat onderzoek naar arbeid voorafgaat aan onderzoek naar arbeidsongeschiktheid.

Arbeidsongeschiktheid kan slechts worden vastgesteld nadat de arbeid is vastgesteld.

Re-integratie kan slechts worden beoordeeld nadat de mogelijkheden binnen die arbeid zijn onderzocht.

Verdiencapaciteit kan slechts worden berekend nadat bekend is welke arbeid verloren is gegaan.

Daarom vereist een zorgvuldige en verdragsconforme beoordeling eerst een arbeidsdeskundige vaststelling van de bedongen en feitelijk verrichte arbeid, vervolgens een verzekeringsgeneeskundige beoordeling van de gevolgen van ziekte of gebrek voor die arbeid, en ten slotte een arbeidsdeskundige beoordeling van de resterende verdiencapaciteit en de mogelijkheden tot terugkeer naar arbeid.

Deze benadering sluit niet alleen beter aan bij de systematiek van arbeidsongeschiktheid, maar geeft tevens daadwerkelijke inhoud aan het in artikel 26 ILO-Verdrag 121 neergelegde beginsel van herstel van arbeidsparticipatie en behoud van verdiencapaciteit.

DocumentToelichtingAuteur:
DocumentToelichtingBron:
DocumentRelatie: